Lees hieronder de volledige tekst van de Landsverordening inzake concurrentie. Of download de pdf-versie van zowel de Landsverordening als de Memorie van Toelichting.

 

PUBLICATIEBLAD (2016 nr. 16)

LANDSVERORDENING van de 29ste maart 2016 houdende vaststelling van de Landsverordening inzake concurrentie

In naam van de Koning!

De Gouverneur van Curaçao,

In overweging genomen hebbende:

dat het met het oog op de bescherming van de welvaart van in het bijzonder de consument wenselijk is een onafhankelijke en deskundige instantie te belasten met de handhaving van regels die ontoelaatbare concurrentiebelemmeringen verbieden en de concurrentie in het algemeen bevorderen door het geven van gevraagd en ongevraagd advies aan een of meer ministers;

dat het voorts wenselijk is bedoelde aangelegenheden te doen behartigen door een zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in artikel 111, eerste lid, van de Staatsregeling van Curaçao;

Heeft, de Raad van Advies gehoord, met gemeen overleg der Staten, vastgesteld onderstaande landsverordening:

Hoofdstuk 1 – definities

Artikel 1.1

In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. aanvraag: een verzoek van een belanghebbende, om een beschikking te nemen;

b. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;

c. beleidsregel: een vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid  van de FTAC;

d. besluit van een getrouwe weergave van de wil van een ondernemersvereniging: ondernemersvereniging om het gedrag van haar leden op de markt te coördineren;

e. bestuurlijke boete: een bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom;

f. bestuurlijke sanctie: een door de FTAC wegens een overtreding opgelegde verplichting;

g. bindende aanwijzing: een door de FTAC wegens een overtreding opgelegde enkele last tot het verrichten of nalaten van bepaalde handelingen;

h. concurrent: een onderneming die actief is op dezelfde relevante markt of die, bij afwezigheid van de desbetreffende overeenkomst,onderling afgestemde feitelijke gedraging of besluit van een ondernemersvereniging, op grond van realistische verwachtingen en niet als louter theoretische mogelijkheid, in geval van een geringe maar duurzame verhoging van de relatieve prijzen wellicht binnen een korte tijd de vereiste extra investeringen zou doen of andere noodzakelijke omschakelingskosten zou maken om de relevante markt te betreden;

i. dwangbevel: een schriftelijk bevel dat ertoe strekt de betaling van een geldsom af te dwingen;

j. FTAC: de Fair Trade Authority Curaçao, bedoeld in artikel 2.1;

k. last onder dwangsom: een herstelsanctie inhoudende (1) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (2) de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd;

l. machtspositie: een positie van een of meer ondernemingen die hen in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke concurrentie op de Curaçaose markt of een deel daarvan te verhinderen door de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van concurrenten, leveranciers en afnemers of eindgebruikers te gedragen, die in ieder geval aanwezig is bij de onderneming die op de relevante markt een marktaandeel heeft van 60% of meer;

m. minister: de minister belast met economische ontwikkeling;

n. netto-omzet: de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen;

o. omzet: de netto-omzet, ongeacht waar die is gerealiseerd, in het boekjaar voorafgaande aan de in gevolge de artikelen 7.1, vijfde lid, 7.2, 7.3 of 7.4 gegeven bestuurlijke boete;

p. onderling afgestemde gedraging: een afstemming die de risico’s van feitelijke gedraging: concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking, zonder dat het tot een overeenkomst komt;

q. ondernemersvereniging: elk verband waarin twee of meer ondernemingen zich verenigen;

r. onderneming: een eenheid voor zover deze een economische activiteit verricht;

s. onderzoek: handelingen die worden verricht met het oog op de vaststelling dat al dan niet een overtreding is begaan van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening;

t. overeenkomst: elke wilsovereenstemming, in welke vorm dan ook, omtrent toekomstig marktgedrag;

u. adviseur: de adviseur, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Landsverordening corporate governance;

v. zeggenschap: de mogelijkheid om op grond van feitelijke of juridische omstandigheden een beslissende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming.

Hoofdstuk 2 – Fair Trade Authority Curaçao

Artikel 2.1

  1. Er is een Fair Trade Authority Curaçao.
  2. De Fair Trade Authority Curaçao is een zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in artikel 111, eerste lid, van de Staatsregeling van Curaçao.
  3. De Fair Trade Authority is een openbare rechtspersoon.

Artikel 2.2

  1. De FTAC bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden, de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter daaronder begrepen.
  2. De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en overige leden van de FTAC worden, de adviseur gehoord, bij landsbesluit benoemd, herbenoemd en ontslagen.
  3. De artikelen 4, vierde lid, 9 en 10 van de Landsverordening corporate governance zijn van overeenkomstige toepassing op het horen van de adviseur, bedoeld in het tweede lid.
  4. De leden van de FTAC worden benoemd voor een zittingstermijn van vier jaren.
  5. Een lid kan eenmaal worden herbenoemd voor een termijn van vier jaren.
  6. De leden hebben zitting in de FTAC op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

Artikel 2.3

  1. De benoeming, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, geschiedt op voordracht van de benoemingscommissie.
  2. De benoemingscommissie doet aan de minister een voordracht.
  3. De voordracht, bedoeld in het tweede lid, heeft een bindend karakter.

Artikel 2.4

  1. De benoemingscommissie bestaat uit:

a. een deskundige van een extern adviesbureau op het gebied van werving en selectie;

b. de President van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; en

c. een lid van de FTAC;

en wordt ingesteld bij ministeriële beschikking.

2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden, de adviseur gehoord, de procedureregels met betrekking tot de voordracht vastgesteld. In het landsbesluit wordt in ieder geval opgenomen dat:

a.de sollicitatieoproep betreffende een opengevallen vacature meerdere keren in ten minste twee dagbladen en op internetsites wordt geplaatst;

b.de selectie op grond van onderdeel a ontvangen sollicitatiebrieven geschiedt, en

c het integriteitsonderzoek verplicht is, waaronder onderzoek naar de verklaring bedoeld in artikel 2.6, eerste lid.

3. De artikelen 4, vierde lid, en 8 van de Landsverordening corporate governance zijn op het horen van de adviseur, bedoeld in het tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.5

  1. Om tot lid van de FTAC te kunnen worden benoemd moet men:

a. de Nederlandse taal in woord en geschrift beheersen,

b. meer dan tien jaar bestuurlijke ervaring hebben in de publieke dan wel privaatrechtelijke sector,

c. deskundig zijn op het gebied van bestuursrecht, mededingingsrecht of consumentenrecht,

d. een studie op academisch niveau hebben afgerond,

e. geen financiële of andere belangen hebben bij instellingen of bedrijven met activiteiten of belangen in Curaçao waardoor twijfel zou kunnen ontstaan aan diens onpartijdigheid, en voldoen aan het, de adviseur gehoord, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgestelde profiel. De artikelen 4, vierde lid, en 8 van de Landsverordening corporate governance zijn op het horen van de adviseur van overeenkomstige toepassing.

  1. Met het lidmaatschap van de FTAC is onverenigbaar:

a. het werkzaam zijn in of bij een landsorgaan of een rechtspersoon waarin het Land financieel of anderszins overwegende invloed heeft;

b. het lidmaatschap van de Staten van Curaçao;

c. de functie van Gouverneur;

d. de functie van vervanger van de Gouverneur;

e. het lidmaatschap van de Raad van Advies;

f. het lidmaatschap van de Algemene Rekenkamer;

g. het lidmaatschap van de Sociaal Economische Raad;

h. de functie van Ombudsman;

i. de functie van minister;

j. de functie van Secretaris of Adjunct-secretaris van de Raad van Ministers;

k. de functie van gevolmachtigde minister;

l. de functie van: 1° President, lid, of plaatsvervangend lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; 2° rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg; 3° Procureur-generaal; 3° Advocaat-generaal; 4° Hoofdofficier van Justitie; 5° Griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba of 6° Officier van Justitie.

  1. Tussen de leden van de FTAC mag niet bestaan de verhouding van echtgenoot, partner of bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad.

Artikel 2.6

  1. Het voor te dragen lid legt een schriftelijke verklaring af aan de benoemingscommissie betreffende zijn zakelijke belangen en overige vermogensbestanddelen en nevenfuncties en nevenwerkzaamheden en, indien van toepassing, die van zijn echtgenoot of partner.
  2. Na diens benoeming dient het lid voordat hij of diens echtgenoot of partner nieuwe zakelijke belangen en overige bestandsdelen heeft verworven dan wel nevenfuncties en nevenwerkzaamheden heeft aanvaard, bij de minister een schriftelijke verklaring in.
  3. Op belangen die ontstaan door erfrecht, giften en andere inkomstenbronnen is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
  4. De verplichting tot het indienen van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke verklaring geldt mede voor het voornemen tot verwerven onderscheidenlijk het verwerven van zakelijke belangen, nevenfuncties, nevenwerkzaamheden door de overige gezinsleden, indien kennisneming daarvan van belang is met het oog op een goede vervulling van zijn functie als lid van de FTAC.
  5. De minister maakt de nevenfuncties van een lid openbaar. Openbaarmaking geschiedt bij zijn benoeming en voorts door jaarlijkse publicatie van een opgave van deze nevenfuncties in de Curaçaosche Courant.

Artikel 2.7

  1. Onverminderd het gestelde in artikel 2.5, tweede lid, beslist de minister, het lid gehoord, inzake de verklaring, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, welke zakelijke belangen en overige bestanddelen, alsmede nevenfuncties dan wel nevenwerkzaamheden, ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie als lid van de FTAC of de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
  2. De minister wint over de te nemen beslissing, bedoeld in het eerste lid, advies in bij de adviseur corporate governance. De artikelen 4, vierde lid, en 9 van de Landsverordening corporate governance zijn op het horen van de adviseur van overeenkomstige toepassing.
  3. Het lid is gehouden, indien zich naar het oordeel van de minister ongewenste vereniging van belangen of nevenwerkzaamheden als bedoeld in het eerste lid voordoet, de benodigde voorzieningen in zijn vermogensbeheer te treffen of de desbetreffende nevenfunctie of nevenwerkzaamheden niet te aanvaarden. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot of partner van een lid.
  4. Het lid dient binnen dertig dagen nadat de voorzieningen, bedoeld in het derde lid, zijn getroffen, een nieuwe schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, in bij de minister. Artikel 2.6, tweede tot en met vierde lid en het eerste tot en met derde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.8

  1. De minister bewaart de verklaring, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, voor de duur van twee jaren, gerekend vanaf de datum waarop het lidmaatschap is geëindigd.
  2. De minister vernietigt de verklaring, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, na verloop van de bewaartermijn, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.9

  1. Aan een lid van de FTAC wordt bij landsbesluit ontslag verleend:

a. op eigen verzoek;

b. met ingang van de eerste dag van de maand die direct volgt op de maand waarin de leeftijd van zeventig jaar wordt bereikt.

c. wanneer hij in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden i s gegijzeld;

d. wanneer hij onder curatele is gesteld;

e. wanneer hij wegens misdrijf is veroordeeld;

f. wanneer een strafrechtelijk onderzoek zoals bedoeld in het derde lid, na de schorsingsperiode nog niet is afgerond.

2. Aan een lid kan ontslag worden verleend:

a. wanneer hij wegens aanhoudende ziels- of lichaamsziekte of wegens ouderdomsgebreken zijn functie niet behoorlijk kan vervullen;

b. wegens wangedrag of bij gebleken voortdurende achteloosheid in de vervulling van zijn functie;

c. wegens het bekleden van een van de onverenigbare functies, genoemd in artikel 2.5, tweede lid

d. in geval van artikel 2.7, derde lid, de benodigde voorzieningen in zijn vermogensbeheer niet zijn getroffen noch de desbetreffende nevenwerkzaamheid is neergelegd.

3. In geval van een strafrechtelijk onderzoek wordt het betreffende lid voor de duur van het strafrechtelijk onderzoek doch ten hoogste voor drie maanden door de minister geschorst.

4. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid onderdelen a en b, wordt het ontslag eervol verleend.

5. Alvorens tot ontslag op grond van het tweede lid, wordt overgegaan, wordt het betrokken lid door de minister gehoord, althans daartoe opgeroepen.

6. De minister wint over een te nemen beslissing als bedoeld in het tweede lid, advies in bij de adviseur corporate governance. De artikelen 4, vierde lid, van de Landsverordening corporate governance zijn op het horen van de adviseur van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.10

  1. In een vacature van een lid wordt zo spoedig mogelijk voorzien, doch uiterlijk binnen vijf maanden nadat deze is opengevallen.
  2. Zolang in een vacature niet is voorzien, wordt de FTAC gevormd door de overblijvende leden van de FTAC die tezamen de bevoegdheden van de volledige FTAC uitoefenen.
  3. Indien de FTAC uit slechts één of geen enkel lid bestaat, worden in afwijking van de procedureregels, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, binnen veertien dagen nadat deze omstandigheid zich voordoet en, in afwijking van artikel 2.2, derde lid, voor de duur van ten hoogste zes maanden bij landsbesluit waarnemende leden benoemd.

Artikel 2.11

  1. Aan het lidmaatschap van de FTAC is een maandelijkse vergoeding verbonden. De vergoeding wordt bij landsbesluit vastgesteld.
  2. Buiten de maandelijkse vergoeding hebben de leden van de FTAC recht op een bij landsbesluit vast te stelen vergoeding van bijzondere kosten in verband met hun functie zoals reis- en verblijfskosten en representatiekosten.

Artikel 2.12

  1. Er is een bureau ter ondersteuning van de FTAC.
  2. Het personeel van het bureau wordt aangesteld, geschorst en ontslagen door de FTAC.
  3. Het personeel wordt aangesteld op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Een integriteitsonderzoek naar de aan te stellen persoon vormt een onderdeel van de aanstellingsprocedure.
  4. In de arbeidsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, wordt in ieder geval opgenomen dat geen nevenfunctie mag worden vervuld die ongewenst is met het oog op een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin
  5. Elk personeelslid is verplicht zijn nevenfuncties te melden aan de voorzitter van de FTAC. In geval de voorzitter van de FTAC van mening is dat een evenfunctie als bedoeld in het vierde lid, wordt vervuld, verzoekt hij het betreffende personeelslid de nevenfunctie neer te leggen. Het niet voldoen aan het verzoek van de voorzitter, bedoeld in de tweede volzin, vormt een ontslaggrond.

Artikel 2.13

  1. De arbeidsvoorwaarden van het personeel worden neergelegd in een personeelsreglement.
  2. Het personeelsreglement wordt door de FTAC vastgesteld. De FTAC legt het reglement ten minste vier weken voor de vaststelling daarvan aan de minister voor.
  3. Indien het personeelsreglement naar het oordeel van de minister in strijd is met het recht dan wel het algemeen belang, geeft hij dit gemotiveerd te kennen binnen vier weken nadat het reglement aan hem is voorgelegd
  4. Indien de minister een kennisgeving als bedoeld in het derde lid doet, wijzigt de FTAC het reglement met inachtneming van het oordeel van de minister. Het tweede lid eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op het herziene reglement.
  5. Het personeel is voor de uitvoering van zijn werkzaamheden uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de FTAC.

Artikel 2.14

  1. De FTAC heeft tot taak uitvoering te geven aan deze landsverordening, alsmede aan andere landsverordeningen, voor zover dat in de desbetreffende landsverordeningen is bepaald.
  2. Tot de taken van de FTAC behoort het uit eigen beweging marktonderzoeken doen en rapportages maken indien dat naar haar oordeel nuttig is voor de uitvoering van de taken die haar bij of krachtens deze of andere landsverordeningen zijn opgedragen.
  3. De FTAC maakt haar bevindingen op grond van het in het tweede lid bedoelde onderzoek bekend en legt ze ter inzage bij de FTAC.

Artikel 2.15

  1. De FTAC stelt het reglement van orde voor haar werkzaamheden vast. De FTAC legt het reglement ten minste vier weken voor de vaststelling daarvan aan de minister voor.
  2. Indien het reglement, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de minister in strijd is met het belang van een goede taakuitoefening door het FTAC, geeft hij dit gemotiveerd te kennen binnen vier weken nadat het reglement aan hem is voorgelegd.
  3. Indien de minister een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid doet, wijzigt de FTAC het reglement met inachtneming van het oordeel van de minister. Het eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op het herziene reglement.

Artikel 2.16

  1. De FTAC kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de uitoefening van haar taken.
  2. De FTAC maakt de door haar vastgestelde beleidsregels bekend in de Curaçaosche Courant.

Artikel 2.17

  1. De minister kan, al dan niet op verzoek van een andere minister, de FTAC verzoeken een advies uit te brengen inzake de effecten voor de concurrentie van voorgenomen of geldende wetgeving.
  2. De FTAC kan het in het eerste lid genoemde advies ook uit eigen beweging uitbrengen.
  3. Het uitbrengen van een advies aan een andere minister geschiedt door tussenkomst van de minister.
  4. Uitgebrachte adviezen worden ter inzage gelegd bij de FTAC.
  5. Indien op grond van artikel 9.2, tweede of derde lid, bepaalde gegevens niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.

Artikel 2.18

  1. De FTAC verstrekt desgevraagd aan de minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is met inachtneming van artikel 9.2, tweede lid onderdeel c.
  2. In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, kan de minister geen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden van een zaak die in onderzoek is.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen, de FTAC gehoord, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevensuitwisseling tussen de minister en de FTAC.
  4. De minister verstrekt de FTAC de inlichtingen die zij voor de uitoefening van haar bij of krachtens deze landsverordening opgedragen taken nodig heeft.
  5. Bij de overeenkomstig dit artikel verstrekte inlichtingen of gegevens wordt telkenmale aangegeven of de inlichtingen of gegevens vertrouwelijk zijn.

Artikel 2.19

  1. De minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de uitoefening van de aan de FTAC toegekende bevoegdheden.
  2. De beleidsregels van de minister hebben geen betrekking op de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften in concrete situaties.
  3. Het vaststellen van beleidsregels gebeurt schriftelijk en gemotiveerd.
  4. De minister maakt de vastgestelde beleidsregels bekend in de Curaçaose Courant.

Artikel 2.20

  1. Indien naar het oordeel van de minister de FTAC bij de uitoefening van haar taak ernstig in gebreke blijft, kan de minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.
  2. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de FTAC in de gelegenheid is gesteld om binnen een door de minister te stellen redelijke termijn alsnog haar taak naar behoren uit te voeren.
  3. Voor zover de in het eerste lid bedoelde taakverwaarlozing betrekking heeft op werkzaamheden in het kader van de uitvoering van andere landsverordeningen als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, treft de minister de voorzieningen.
  4. De minister stelt de Staten onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.21

  1. De begroting van de FTAC behoeft de goedkeuring van de minister.
  2. De FTAC zendt jaarlijks voor 1 april aan de minister de ontwerpbegroting met toelichting voor het daaropvolgende jaar, alsmede een meerjarenraming die een periode van ten minste drie jaren omvat en die jaarlijks wordt bijgesteld.
  3. Goedkeuring vindt plaats vóór 1 januari van het jaar waarop de begroting betrekking heeft.
  4. Indien de minister zijn goedkeuring aan de ontwerpbegroting onthoudt, bericht hij aan de FTAC zulks met redenen omkleed binnen twee maanden na ontvangst van de begroting.
  5. Indien het bepaalde in het vierde lid toepassing vindt, past de FTAC na overleg met de minister de begroting aan en legt de aangepaste begroting vóór 1 oktober van dat jaar ter goedkeuring voor aan de minister. Indien de minister zijn goedkeuring aan de aangepaste begroting onthoudt, bericht hij aan de FTAC zulks met redenen omkleed binnen twee maanden na ontvangst van de begroting.
  6. Indien de minister niet binnen twee maanden nadat de begroting ter goedkeuring is voorgelegd beslist, wordt de begroting geacht te zijn goedgekeurd.
  7. Indien de minister in overeenstemming met het bepaalde in het vijfde lid zijn goedkeuring onthoudt en de begroting niet vóór 1 januari is goedgekeurd, is de FTAC gemachtigd conform de laatst vastgestelde begroting uitgaven te doen tot een maximum van 90% van de daarin geraamde uitgaven.
  8. Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel komsten en uitgaven, doet de FTAC daarvan onverwijld mededeling aan de minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

Artikel 2.22

  1. De financiële middelen van de FTAC bestaan uit een bijdrage uit ’s Lands begroting.
  2. Geïnde dwangsommen en bestuurlijke boetes vloeien terug in de algemene middelen van het Land.

Artikel 2.23

  1. De FTAC stelt jaarlijks vóór 1 juli een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar op, bestaande uit een algemeen verslag en een financieel verslag. Het jaarverslag heeft betrekking op de uitvoering van deze landsverordening en op de uitvoering van andere landsverordeningen als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, voor zover in die landsverordeningen niet is voorzien in een afzonderlijke verplichting tot het opstellen van een verslag.
  2. Het algemeen verslag, bedoeld in het eerste lid, geeft een overzicht van de in het afgelopen kalenderjaar verrichte werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en de doeltreffendheid van die werkzaamheden en de gevolgde werkwijze.
  3. Het financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een overzicht van de bezittingen, uitgaven en inkomsten van de FTAC.
  4. Het jaarverslag wordt gezonden aan de minister en ter inzage gelegd bij de FTAC. Het jaarverslag wordt bekendgemaakt in de Curacaosche Courant.
  5. De minister brengt het jaarverslag, vergezeld van zijn bevindingen daaromtrent, bedoeld in het vierde lid, vóór 1 september ter kennis van de Staten.

Artikel 2.24

  1. De minister zendt elke vijf jaar aan de Staten een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de FTAC.
  2. Voor zover het verslag betrekking heeft op de werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van andere landsverordeningen als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, stelt de minister het verslag op.
  3. Het verslag wordt ter inzage gelegd bij de FTAC en toegezonden aan de Staten.

Hoofdstuk 3 – concurrentiebeperkende afspraken

Artikel 3.1

  1. Verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de concurrentie op de Curaçaose markt of een deel daarvan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
  2. In strijd met het eerste lid zijn in ieder geval de overeenkomsten tussen concurrenten, besluiten van ondernemersverenigingen waarvan concurrenten deel uitmaken en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van concurrenten die bestaan uit, direct of indirect:

a. het bepalen van verkoopprijzen of andere verkoopvoorwaarden;

b. het bepalen van inschrijfprijzen of andere biedingsvoorwaarden in geval van aanbestedingen;

c. het beperken of controleren van productie of afzet, waaronder gezamenlijke leveringsweigering;

d. het verdelen van markten.

3. De krachtens het eerste lid verboden overeenkomsten en besluiten zijn nietig.

Artikel 3.2

  1. Behoudens voor de gedragingen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, geldt artikel 3.1, eerste lid, niet voor overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, indien het gezamenlijke marktaandeel van de ondernemingen die betrokken zijn bij de overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging of ondernemingen die deel uitmaken van de bij het besluit betrokken ondernemersvereniging, op elke relevante markt niet meer bedraagt dan 30%.
  2. In geval van afzonderlijke overeenkomsten tussen een onderneming of een ondernemersvereniging en twee of meer andere ondernemingen, die dezelfde strekking hebben, worden voor de toepassing van het eerste lid die overeenkomsten tezamen beschouwd als één overeenkomst. In geval van afzonderlijke onderling afgestemde feitelijke gedragingen van een onderneming met twee of meer andere ondernemingen, die dezelfde strekking hebben, worden voor de toepassing van het eerste lid die onderling afgestemde feitelijke gedragingen tezamen beschouwd als één onderling afgestemde feitelijke gedraging.

Artikel 3.3

  1. De FTAC kan op een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging van ondernemingen waarop overeenkomstig artikel 3.2, eerste lid, artikel 3.1, eerste lid, niet van toepassing is, bij beschikking alsnog artikel 3.1, eerste lid, van toepassing verklaren, indien die overeenkomst, dat besluit of die gedraging gezien de marktverhoudingen op de relevante markt in aanzienlijke mate afbreuk doet aan de concurrentie.
  2. Bij de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het eerste lid, worden de artikelen 8.1 tot en met 8.5 in acht genomen.
  3. Indien het een beschikking op aanvraag betreft, wordt de aanvraag bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant.

Artikel 3.4

  1. Indien het een beschikking op aanvraag betreft, beslist de FTAC zo spoedig mogelijk op de aanvraag, doch uiterlijk binnen vier maanden na de ontvangst van de aanvraag, tenzij toepassing is gegeven aan het tweede lid.
  2. De FTAC kan binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid genoemde termijn met twee maanden verlengen.
  3. De beschikking wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant en inzage gelegd. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.5

  1. Behoudens voor de gedragingen genoemd onder artikel 3.1, tweede lid, kan de FTAC op aanvraag bij beschikking een ontheffing verlenen van de verboden, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, voor overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen als bedoeld in dat artikel, die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling daarvan of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen:

a. beperkingen op te leggen die voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn, of;

b. de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken goederen en diensten de concurrentie uit te schakelen

2. Bij de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het eerste lid, worden de artikelen 8.1 tot en met 8.5 in acht genomen.

Artikel 3.6

  1. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen, de FTAC gehoord, nadere regels worden gesteld met betrekking tot een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.5.
  2. Een aanvraag om een ontheffing wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant.

Artikel 3.7

  1. De FTAC beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag, doch uiterlijk binnen vier maanden na de ontvangst van de aanvraag, tenzij toepassing is gegeven aan het tweede lid.
  2. De FTAC kan binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid genoemde termijn met twee maanden verlengen.
  3. De beschikking wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant en ter inzage gelegd bij de FTAC. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.8

De beschikking waarbij de ontheffing wordt verleend kan terugwerken, maar niet verder dan tot en met de datum van ontvangst van de aanvraag om de ontheffing.

Artikel 3.9

  1. Een ontheffing als bedoeld in artikel 3.5 wordt verleend voor een daarbij bepaalde tijd.
  2. Een ontheffing kan onder beperkingen en voorschriften worden verleend.

Artikel 3.10

  1. Een ontheffing kan op aanvraag worden verlengd, indien de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.5, vervuld blijven.
  2. De aanvraag om verlenging dient ten minste vier maanden voordat de werkingsduur van de ontheffing is verstreken te worden ingediend.
  3. Bij de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het eerste lid, worden de artikelen 8.1 tot en met 8.5 in acht genomen.

Artikel 3.11

  1. De FTAC beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag, doch uiterlijk binnen vier maanden na de ontvangst van de aanvraag.
  2. De beschikking wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant en ter inzage gelegd bij de FTAC. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.12

  1. De FTAC trekt een ontheffing in indien de verstrekte gegevens zodanig onjuist waren dat de ontheffing zou zijn geweigerd als de juiste gegevens wel bekend zouden zijn geweest.
  2. De FTAC kan een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen indien:

a. de aan de ontheffing verbonden beperkingen en voorschriften niet worden nageleefd;

b. als gevolg van een wijziging van omstandigheden het ongewijzigd van kracht blijven van de ontheffing aan de concurrentie onaanvaardbare schade zou toebrengen;

c. de verstrekte gegevens zodanig onjuist waren dat aan de ontheffing voorschriften of andere voorschriften zouden zijn verbonden of de ontheffing onder beperkingen of andere beperkingen zou zijn verleend als de juiste gegevens wel bekend zouden zijn geweest.

  1. Een beschikking tot intrekking van een ontheffing krachtens het eerste lid werkt terug tot en met de datum van inwerkingtreding van de ontheffing.
  2. Een beschikking tot intrekking of wijziging van een ontheffing krachtens het tweede lid onder a of c, kan terugwerken tot en met de datum van inwerkingtreding van de ontheffing.
  3. De FTAC deelt haar voornemen een ontheffing in te trekken of te wijzigen schriftelijk en met redenen omkleed mee aan belanghebbenden.
  4. Bij de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het eerste en tweede lid, worden de artikelen 8.1 tot en met 8.5 in acht genomen.
  5. Een beschikking tot intrekking of wijziging van een ontheffing krachtens tweede lid onder b, treedt niet eerder in werking dan zes weken nadat de beschikking is gegeven. Zij werkt niet terug.
  6. Een beschikking als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant en ter inzage gelegd bij de FTAC. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.13

  1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan worden bepaald, zo nodig onder voorschriften en beperkingen, dat de in dat landsbesluit, houdende algemene maatregelen, omschreven categorieën van overeenkomsten, besluiten en gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, niet verboden zijn, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen:

a. beperkingen op te leggen die voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn, of;

b. de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken goederen en diensten de concurrentie uit te schakelen.

  1. In het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zal worden bepaald dat de FTAC op een overeenkomst, besluit of gedraging waarvoor krachtens die maatregel artikel 3.1, eerste lid, niet geldt, bij beschikking alsnog artikel 3.1, eerste lid, van toepassing kan verklaren, indien niet wordt voldaan aan de in dat landsbesluit genoemde vereisten.
  2. Bij de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het tweede lid, worden de artikelen 8.1 tot en met 8.5 in acht genomen.
  3. In geval van een beschikking als bedoeld in het tweede lid, wordt de beschikking bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant en ter inzage gelegd bij de FTAC. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4 – ondernemingen met een machtspositie

Artikel 4.1

  1. Het is ondernemingen verboden misbruik te maken van een machtspositie.
  2. Het in het eerste lid genoemde misbruik kan onder meer bestaan uit:

a. het rechtstreeks of zijdelings hanteren van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;

b. het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;

c. het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de concurrentie;

d. het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

3. Een gedraging van een onderneming is geen misbruik in de zin van het eerste lid indien deze objectief kan worden gerechtvaardigd.

Artikel 4.2

  1. Indien de FTAC van oordeel is dat een onderneming beschikt over een machtspositie of meerdere ondernemingen gezamenlijk beschikken over een machtspositie, kan de FTAC die onderneming of ondernemingen bij beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen:

a. de verplichting om door de FTAC te bepalen categorieën van informatie aan door de FTAC te bepalen categorieën van belanghebbenden op een door de FTAC te bepalen wijze bekend te maken;

b. de verplichting om bij de levering van door de FTAC te bepalen producten of diensten, de afnemers van die producten dan wel diensten in gelijke gevallen gelijk te behandelen;

c. de verplichting om een door de FTAC te bepalen dienst of product los te leveren van andere diensten of producten;

d. de verplichting de kosten en opbrengsten van door de FTAC te bepalen diensten of producten die de onderneming aan zichzelf of aan zijn afnemers aanbiedt, te scheiden van die van de overige door de onderneming verrichte activiteiten en daartoe een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig door de FTAC gegeven aanwijzingen;

e. de verplichting onder redelijke voorwaarden te voldoen aan elk redelijk verzoek van een onderneming tot het sluiten van een overeenkomst;

f. andere, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen verplichtingen

2. De FTAC neemt bij het opleggen van verplichtingen als bedoeld in het eerste lid de eisen van proportionaliteit in acht.

3. De FTAC kan aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voorschriften en beperkingen verbinden die nodig zijn voor een goede uitvoering van de  verplichtingen.

4. Bij de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het eerste lid worden de artikelen 8.1 tot en met 8.5 in acht genomen.

5. De FTAC neemt uiterlijk vier maanden na de terinzagelegging, bedoeld in artikel 8.2, een beslissing.

6. De beschikking wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant en ter inzage gelegd bij de FTAC. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.3

  1. Een verplichting als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geldt voor een periode van ten hoogste drie jaar. De FTAC kan binnen die periode beslissen tot intrekking indien de verplichting naar haar oordeel niet meer noodzakelijk is. Voorts kan de FTAC binnen die periode beslissen tot wijziging of verlenging van de verplichting, telkens voor een periode van ten hoogste drie jaar.
  2. Bij de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het eerste lid, worden de artikelen 8.1 tot en met 8.5 in acht genomen.
  3. Indien het een beschikking op aanvraag betreft, beslist de FTAC zo spoedig mogelijk op de aanvraag, doch uiterlijk binnen vier maanden na de ontvangst van de aanvraag, tenzij toepassing is gegeven aan het tweede lid.
  4. De FTAC kan binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag de in het tweede lid genoemde termijn met twee maanden verlengen.
  5. De beschikking tot intrekking, wijziging of verlenging van de verplichting wordt bekendgemaakt in De Curaçaosche Courant en ter inzage gelegd bij de FTAC. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.4

  1. Indien de FTAC het vermoeden heeft dat sprake is van een in artikel 4.2, eerste lid, eerste zinsnede, bedoelde machtspositie, kan zij in spoedeisende gevallen vooruitlopen op de toepassing van artikel 4.2 en de desbetreffende onderneming of ondernemingen bij beschikking een of meer van de verplichtingen opleggen, genoemd in artikel 4.2, eerste lid.
  2. De FTAC neemt bij het opleggen van verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, de eisen van proportionaliteit in acht.
  3. De FTAC kan aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voorschriften en beperkingen verbinden die nodig zijn voor een goede uitvoering van de verplichtingen.
  4. Een verplichting als bedoeld in het eerste lid, geldt voor een periode van ten hoogste zes maanden. De FTAC kan de verplichting eenmaal met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.
  5. De beschikking wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant en ter inzage gelegd bij de FTAC. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5 – concentraties

Artikel 5.1

  1. Onder een concentratie wordt verstaan:

a. het fuseren van twee of meer voorheen van elkaar onafhankelijke ondernemingen;

b. het direct of indirect verkrijgen van zeggenschap door: 1° een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die reeds zeggenschap over ten minste een onderneming hebben, of  2° een of meer ondernemingen over een of meer andere ondernemingen of delen daarvan door middel van de verwerving van participaties in het kapitaal of van vermogensbestanddelen, uit hoofde van een overeenkomst of op enige andere wijze.

2. De totstandkoming van een gemeenschappelijke onderneming is een concentratie in de zin van het eerste lid, onder b ten eerste, indien de gemeenschappelijke onderneming duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult.

3. In geval van een vorm van samenwerking tussen ondernemingen, welke is geïnstitutionaliseerd in een gezamenlijke onderneming is er sprake van een gemeenschappelijk onderneming.

Artikel 5.2

  1. Een concentratie moet voorafgaande aan de totstandbrenging ervan worden gemeld bij de FTAC indien:

a. de gezamenlijke omzet van de betrokken ondernemingen in het voorafgaande kalenderjaar meer bedroeg dan NAf 125 miljoen waarvan door ten minste twee van de betrokken ondernemingen ieder ten minste NAf 15 miljoen in Curaçao is behaald, of;

b. de betrokken ondernemingen daardoor op een of meer relevante markten in Curaçao een marktaandeel van 30% of meer creëren of versterken.

2. De in het eerste lid genoemde bedragen kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden verhoogd.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt ten aanzien van kredietinstellingen en financiële instellingen de omzet vervangen door de som van de volgende op de winst- en verliesrekening over het voorafgaande boekjaar opgenomen baten:

a. rentebaten en soortgelijke baten;

b. opbrengsten uit waardepapieren;

c. ontvangen provisie;

d. resultaat uit financiële transacties;

e. overige bedrijfsopbrengsten;

na aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde en andere rechtstreeks met de betrokken baten samenhangende belastingen.

4. Voor verzekeraars wordt voor de toepassing van het eerste lid de omzet vervangen door de waarde van de bruto geboekte premies in de zin van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf in het voorafgaande boekjaar.

Artikel 5.3

  1. Wanneer de concentratie tot stand wordt gebracht door middel van de verwerving van de zeggenschap over delen van een of meer ondernemingen, welke delen al dan niet eigen rechtspersoonlijkheid bezitten, wordt bij de berekening van de omzet en het marktaandeel, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, ten aanzien van de vervreemder of de vervreemders uitsluitend rekening gehouden met de activiteiten van de te vervreemden delen die voorwerp zijn van de transactie. Twee of meer verwervingen als bedoeld in de eerste volzin die plaatsvinden binnen een periode van twee jaar en die afhankelijk van elkaar zijn of op een economische wijze zodanig met elkaar zijn verbonden dat deze verwervingen als één verwerving zouden moeten worden beoordeeld, worden beschouwd als één concentratie die tot stand gebracht wordt op de dag van de laatste transactie.
  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden voor de berekening van de omzet en het marktaandeel van een betrokken onderneming als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, de omzetten respectievelijk de marktaandelen van de volgende ondernemingen opgeteld:

a. de betrokken onderneming;

b. de ondernemingen waarin de betrokken onderneming rechtstreeks of middellijk:

1° meer dan de helft van het kapitaal of de bedrijfsactiva bezit, dan wel;

2°de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen, dan wel;

3°de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de leden van de FTAC van toezicht of van bestuur, of van de krachtens de wet tot vertegenwoordiging bevoegde organen te benoemen, dan wel;

4°het recht heeft de onderneming te leiden;

c. ondernemingen die in een betrokken onderneming over de onder b genoemde rechten of bevoegdheden beschikken;

d. ondernemingen waarin een onder c bedoelde onderneming over de onder b genoemde rechten of bevoegdheden beschikt;

e. ondernemingen waarbij ten minste twee ondernemingen als bedoeld onder a tot en met d gezamenlijk over de onder b genoemde rechten of bevoegdheden beschikken.

3. Indien bij de concentratie betrokken ondernemingen gezamenlijk beschikken over de in het tweede lid, onder b, genoemde rechten of bevoegdheden, wordt voor de berekening van de omzet en het marktaandeel van de betrokken ondernemingen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid:

a. geen rekening gehouden met de omzet die, onderscheidenlijk het marktaandeel dat het resultaat is van de verkoop van producten en het leveren van diensten tussen de gemeenschappelijke onderneming en elk van de betrokken ondernemingen of van enige andere met de betrokken onderneming verbonden onderneming als bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met e;

b. rekening gehouden met de omzet die onderscheidenlijk het marktaandeel dat het resultaat is van de verkoop van producten en het verlenen van diensten tussen de gemeenschappelijke onderneming en derde ondernemingen. Deze omzet onderscheidenlijk dit marktaandeel wordt aan de ondernemingen toegerekend in verhouding tot hun deelnemingen in de gemeenschappelijke onderneming.

4. Voor de berekening van de gezamenlijke omzet en het gezamenlijke marktaandeel van de betrokken ondernemingen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, worden transacties tussen de in het tweede lid bedoelde ondernemingen buiten beschouwing gelaten.

Artikel 5.4

  1. Bij een melding als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, worden gegevens omtrent de aard van de concentratie, de marktomstandigheden en mogelijk de verwachte effecten van de concentratie verstrekt.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de te verstrekken gegevens, bedoeld in het eerste lid.
  3. De melding wordt door de FTAC bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant.

Hoofdstuk 6 – handhaving

Artikel 6.1

  1. De FTAC houdt toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening.
  2. De FTAC kan ambtshalve of naar aanleiding van een aanvraag overgaan tot het doen verrichten van onderzoek.
  3. Een klacht van een belanghebbende inzake mogelijke overtreding door een of meer ondernemingen van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening wordt beschouwd als een aanvraag.
  4. De FTAC beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag, doch uiterlijk binnen vier maanden na de ontvangst van de aanvraag, tenzij toepassing is gegeven aan het vijfde lid.
  5. De FTAC kan binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag de in het vierde lid genoemde termijn met vier maanden verlengen.

Artikel 6.2

  1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening dat is opgedragen aan de FTAC, zijn belast de daartoe bij beschikking door de FTAC aangewezen personeelsleden van het bureau, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Curacaosche Courant.
  2. De krachtens het eerste lid aangewezen personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:

a. alle inlichtingen te vragen;

b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen en daarvan monsters te nemen;

c. goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen;

d. bedrijfsruimten en voorwerpen te verzegelen;

e. alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen;

f. vaartuigen, stilstaande voertuigen en de lading daarvan te onderzoeken;

g. woningen of tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden.

3. Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid onder d, verschaft met behulp van de sterke arm.

4. Op het binnentreden van woningen of van tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen als bedoeld in het tweede lid onder g, is Titel X van het derde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de procureur-generaal.

5. Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen personen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.

Artikel 6.3

  1. Bij de uitoefening van hun taak dragen de krachtens artikel 6.2, eerste lid, aangewezen personen een door de FTAC te verstrekken legitimatiebewijs bij zich, dat zij desgevraagd aanstonds tonen.
  2. Het in het eerste lid bedoelde legitimatiebewijs bevat een foto van de krachtens artikel 6.2, eerste lid, aangewezen persoon en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid.
  3. In geval van onderzoek tonen de krachtens artikel 6.2, eerste lid, aangewezen personen desgevraagd aanstonds de doelomschrijving van het onderzoek, ondertekend door de voorzitter van de FTAC.

Artikel 6.4

Degene die wordt verzocht om inlichtingen met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is niet verplicht ten behoeve daarvan mondelinge of schriftelijke verklaringen omtrent de onderzochte overtreding af te leggen. Voorafgaand aan het verzoek wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht.

Artikel 6.5

  1. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
  2. Artikel 6.2, tweede lid onder b, is niet van toepassing op zakelijke gegevens en bescheiden, gewisseld tussen een onderneming of natuurlijk persoon en een advocaat die is toegelaten tot de balie, die zich bij die advocaat of die onderneming of natuurlijke persoon bevinden.
  3. Indien een geschil is of sprake is van zakelijke gegevens en bescheiden als bedoeld in het tweede lid, worden de desbetreffende gegevens en bescheiden in een verzegelde envelop bewaard gedurende twintig werkdagen.
  4. De FTAC mag de gegevens en bescheiden als bedoeld in het derde lid inzien en afschrift daarvan nemen na afloop van de in dat lid genoemde termijn, tenzij voor afloop van de termijn door de betrokken rechtspersoon of natuurlijk persoon het in het derde lid bedoelde geschil conform artikel 226 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aanhangig is gemaakt.
  5. Voor zover naar het oordeel van het Gerecht in Eerste Aanleg geen sprake is van zakelijke gegevens en bescheiden als bedoeld in het tweede lid, is de FTAC bevoegd de desbetreffende gegevens en bescheiden in te zien en afschrift daarvan te nemen na twintig werkdagen na bekendmaking van de uitspraak, tenzij voor afloop van deze termijn beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is ingesteld.
  6. Voor zover naar het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen sprake is van zakelijke gegevens en bescheiden als bedoeld in het tweede lid, is de FTAC bevoegd de desbetreffende gegevens en bescheiden in te zien en afschrift daarvan te nemen na bekendmaking van de uitspraak.
  7. Tegen het oordeel, bedoeld in het zesde lid staat geen beroep in cassatie open.

Hoofdstuk 7 – maatregelen in geval van overtreding

Artikel 7.1

  1. In geval van overtreding van artikel 3.1, eerste lid, of artikel 4.1, eerste lid, kan de FTAC de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend:

a. een bindende aanwijzing tot naleving van deze landsverordening opleggen;

b. een bestuurlijke boete opleggen, indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor een vergelijkbare overtreding reeds eerder een bindende aanwijzing is opgelegd;

c. een last onder dwangsom opleggen, indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor een vergelijkbare overtreding reeds eerder een bindende aanwijzing is opgelegd.

2. Bij de voorbereiding van een beschikking bedoeld in het eerste lid onder a, worden de artikelen 8.1 tot en met 8.5 in acht genomen.

3. In geval van overtreding van artikel 3.1, tweede lid, of van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.2, eerste lid, of artikel 4.4, eerste lid, kan de FTAC de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend:

a. een bestuurlijke boete opleggen;

b. een last onder dwangsom opleggen.

4.  Artikel 1:127 Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

5.  In geval van overtreding van een bindende aanwijzing als bedoeld in het eerste lid onder a, kan de FTAC de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom opleggen.

6.  De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste NAf 1 miljoen of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming dan wel, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken. Indien op grond van het derde lid toepassing is gegeven aan artikel 1:127, tweede lid onder b, van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste NAf 1 miljoen en kan de natuurlijke persoon hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de aan de rechtspersoon opgelegde bestuurlijke boete.

Artikel 7.2

  1. In geval van overtreding van artikel 5.2, eerste lid, kan de FTAC de rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste NAf 1 miljoen of, indien dat meer is, ten hoogste 1% van de omzet.
  2. De FTAC kan de rechtspersoon die onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt bij een melding van een concentratie op grond van artikel 5.2, eerste lid, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste NAf 1 miljoen of, indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet.

Artikel 7.3

De FTAC kan degene die jegens de in artikel 6.2, eerste lid, bedoelde personen in strijd handelt met artikel 6.4, eerste lid, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste NAf 1 miljoen of, indien het een onderneming of ondernemersvereniging betreft en indien dat meer is, ten hoogste 1% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken.

Artikel 7.4

De FTAC kan degene, die een verzegeling als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, onder d, verbreekt, opheft of beschadigt, of de door de verzegeling bedoelde afsluiting op andere wijze verijdelt, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste NAf 1 miljoen of, indien het een onderneming of ondernemingsvereniging betreft en indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken.

Artikel 7.5

  1. De bindende aanwijzing omschrijft de te verrichten of na te laten handelingen.
  2. Bij een bindende aanwijzing die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend, de aanwijzing dient uit te voeren.
  3. De FTAC kan op verzoek van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend de bindende aanwijzing opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat in strijd is gehandeld met de aanwijzing.
  4. Bij de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in het derde lid, worden de artikelen 8.1 tot en met 8.5 in acht genomen.
  5. De FTAC beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek bedoeld in het derde lid, doch uiterlijk binnen vier maanden na de ontvangst van de aanvraag, tenzij toepassing is gegeven aan het vijfde lid.
  6. De FTAC kan binnen tien weken na ontvangst van het verzoek de in het eerste lid genoemde termijn met twee maanden verlengen.
  7. De beschikking wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant en ter inzage gelegd bij de FTAC. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.6

  1. De FTAC legt geen bestuurlijke sanctie op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond.
  2. Indien twee of meer voorschriften zijn overtreden, kan voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie worden opgelegd.
  3. De beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie vermeldt:

a. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift;

b. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.

4. Voor zover een bestuurlijke sanctie verplicht tot betaling van een geldsom, komt deze geldsom toe aan de algemene middelen.

Artikel 7.7

De FTAC legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet kan worden verweten aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend.

Artikel 7.8

De FTAC legt geen bestuurlijke boete op voor zover aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, is bekendgemaakt.

Artikel 7.9

  1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete verjaart vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden of is beëindigd in geval van een overtreding die langer dan een dag geduurd heeft. Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de verjaringstermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.
  2. De verjaringstermijn, bedoeld in het eerste lid wordt telkens gestuit door een handeling van de FTAC ter verrichting van een onderzoek of procedure met betrekking tot de desbetreffende overtreding.
  3. De stuiting van de verjaringstermijn gaat in op de dag dat ten minste één onderneming of de ondernemingsvereniging die aan de overtreding heeft deelgenomen, van de handeling schriftelijk in kennis wordt gesteld.

Artikel 7.10

De FTAC stemt de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze kan worden verweten aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend. De FTAC houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Artikel 7.11

  1. Indien de FTAC na afloop van het onderzoek een redelijk vermoeden heeft dat een overtreding als bedoeld in artikel 3.1, eerste en tweede lid, 4.1, eerste lid, 4.2, eerste lid, of 4.4, eerste lid, is begaan en dat daarvoor een bestuurlijke boete dient te worden opgelegd, doet hij een rapport opmaken.
  2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt:

a. de naam van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend;

b. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift;

c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.

3. De natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend, wordt in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk een zienswijze te geven op het rapport, alvorens de FTAC overgaat tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Artikel 8.5 is van overeenkomstige toepassing.

4. Op verzoek van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend, die het rapport wegens zijn gebrekkige kennis van de rechtstaal onvoldoende begrijpt, draagt de FTAC er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van het rapport aan de betrokkene wordt meegedeeld.

Artikel 7.12

  1. De FTAC beslist omtrent het opleggen van een bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, binnen zes maanden na dagtekening van het rapport.
  2. De werkzaamheden in verband met het opleggen van een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij de opstelling van het in artikel 7.11 bedoelde rapport en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 7.13

  1. Indien de FTAC na toezending van het rapport aan een belanghebbende beslist dat voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, wordt dit schriftelijk aan de belanghebbende medegedeeld.
  2. De beschikking wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant en ter inzage gelegd bij de FTAC. Artikel 8.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.14

  1. Een bestuurlijke boete wordt betaald binnen dertien weken nadat de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd, bekend is gemaakt.
  2. De bestuurlijke boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen dertien weken vanaf de dag waarop beschikking is bekendgemaakt.
  3. Indien de bestuurlijke boete niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn is betaald, dient degene die de bestuurlijke boete is verschuldigd, binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete verhoogd met de krachtens het tweede lid verschuldigde rente en de kosten van de aanmaning te betalen.

Artikel 7.15

  1. Bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee weken, bedoeld in artikel 7.14, derde lid, kan de FTAC van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de bestuurlijke boete is verschuldigd, de verschuldigde bestuurlijke boete, verhoogd met de krachtens artikel 7.14, tweede lid, verschuldigde rente en de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, invorderen bij dwangbevel.
  2. Bij het dwangbevel kunnen tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd.
  3. Het dwangbevel wordt op kosten van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de bestuurlijke boete is verschuldigd, bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  4. De in het tweede en derde lid bedoelde kosten zijn ook verschuldigd indien het dwangbevel door betaling van verschuldigde bedragen niet of niet volledig ten uitvoer is gelegd.

Artikel 7.16

  1. Het dwangbevel vermeldt in ieder geval:

a. aan het hoofd het woord: dwangbevel;

b. het bedrag van de invorderbare hoofdsom;

c. de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;

d. de kosten van het dwangbevel; en

e. dat het op kosten van de schuldenaar ten uitvoer kan worden gelegd.

2. Het dwangbevel vermeldt, indien van toepassing:

a. het bedrag van de aanmaningsvergoeding, en

b. de ingangsdatum van de wettelijke rente.

Artikel 7.17

  1. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open bij het Gerecht in Eerste Aanleg door dagvaarding van de FTAC.
  2. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging.
  3. Op verzoek van de FTAC kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
  4. De in het eerste lid bedoelde bedragen komen toe aan ’s Lands kas.

Artikel 7.18

  1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
  2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de belanghebbende de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
  3. Zodra gevaar voor een overtreding zoals bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, dreigt, kan een last onder dwangsom worden opgelegd.
  4. Artikelen 7.11 tot en met 7.13 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.19

  1. De FTAC stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
  2. De FTAC stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
  3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
  4. Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Artikel 7.20

  1. De FTAC kan op verzoek van de belanghebbende de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend om aan zijn verplichtingen te voldoen.
  2. De FTAC kan op verzoek van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 7.21

  1. De bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom verjaart door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.
  2. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist de FTAC bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.
  3. De FTAC geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.
  4. De FTAC beslist binnen zes weken op het verzoek.
  5. Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voortvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt die beschikking.
  6. De FTAC kan een nieuwe beschikking tot invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom.

Artikel 7.22

Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Hoofdstuk 8 – voorbereidingsprocedure, bezwaar en beroep

Artikel 8.1

  1. De FTAC legt het ontwerp van de te nemen beschikking, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage bij de FTAC. Terinzagelegging vindt plaats niet eerder dan vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 8.2, tweede lid.
  2. Het ter inzage leggen van informatie blijft achterwege voor zover dit:

a. de eenheid van de regering, bedoeld in artikel 11 van de Staatsregeling van Curaçao, zou kunnen schaden;

b. de veiligheid van het Land zou kunnen schaden;

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die als vertrouwelijk moeten worden beschouwd.

3. Het ter inzage leggen van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de economische of financiële belangen van het Land;

b. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

c. de inspectie, controle of het toezicht door of vanwege bestuursorganen;

d. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

e. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;

f. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

4. Indien op grond van het tweede of derde lid bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.

5. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt de FTAC afschrift van de ter inzage gelegde stukken.

6. De stukken liggen ter inzage gedurende de termijn van zes weken.

Artikel 8.2

  1. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft de FTAC in een Papiamentstalig en een Nederlandstalig dagblad kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.
  2. De kennisgeving wordt in ieder geval in de Curacaosche Courant geplaatst.
  3. Indien de beschikking tot een of meer belanghebbenden is gericht, zendt de FTAC voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
  4. Bij de verzending, bedoeld in het derde lid, en in de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeld:

a. wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;

b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;

c. op welke wijze dit kan geschieden;

d. bij verlenging van de beslistermijn, de termijn waarbinnen de beschikking zal worden genomen.

Artikel 8.3

  1. De FTAC vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens.
  2. Artikel 8.1, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.

Artikel 8.4

  1. Belanghebbenden kunnen bij de FTAC naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.
  2. Indien het een beschikking op aanvraag betreft, stelt de FTAC de aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.
  3. Indien het een beschikking tot wijziging of intrekking van een beschikking betreft, stelt de FTAC degene tot wie het te wijzigen of in te trekken beschikking is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.
  4. Van hetgeen mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.

Artikel 8.5

  1. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen bedraagt zes weken.
  2. De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.
  3. Een schriftelijke zienswijze is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
  4. Bij verzending per post is een schriftelijke zienswijze tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Artikel 8.6

  1. De FTAC wordt aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 2 van de Landsverordening administratieve rechtspraak.
  2. In afwijking van artikel 16, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak geldt de dag waarop de beschikking is bekendgemaakt in de Curacaosche Courant als de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt.

Hoofdstuk 9 – gebruik en verstrekking van gegevens

Artikel 9.1

Bij de FTAC ter inzage gelegde of in de Curaçaosche Courant bekendgemaakte mededelingen, kennisgevingen, besluiten, adviezen, verslagen en jaarverslagen worden tevens op het internet beschikbaar gesteld.

Artikel 9.2

  1. Een ieder kan verzoeken om informatie neergelegd in documenten met betrekking tot de uitoefening van de taken van de FTAC.
  2. Het geven van informatie blijft achterwege voor zover dit:

a. de eenheid van de regering, bedoeld in artikel 11 van de Staatsregeling van Curaçao, zou kunnen schaden

b. de veiligheid van het Land zou kunnen schaden;

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die als vertrouwelijk moeten worden beschouwd.

3. Het geven van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de economische of financiële belangen van het Land;

b. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

c. de inspectie, controle of het toezicht door of vanwege bestuursorganen;

d. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

e. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;

f. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Artikel 9.3

  1. Gegevens of inlichtingen omtrent een onderneming of ondernemersvereniging welke in verband met werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van deze landsverordening zijn verkregen, mogen uitsluitend worden gebruikt of openbaar gemaakt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening.
  2. Artikel 9.2, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het eerste lid.

Artikel 9.4

In afwijking van artikel 9.3 is de FTAC bevoegd gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitoefening van de hem in deze landsverordening opgedragen taken, te verstrekken aan:

a.  een buitenlandse instelling, die op grond van nationale wettelijke regels is belast met de toepassing van concurrentieregels, voor zover die gegevens of inlichtingen van betekenis zijn of kunnen zijn voor de uitoefening van de taak van die instelling en de verstrekking ervan naar het oordeel van de FTAC in het belang is van de Curaçaose economie;

b. een bestuursorgaan in Curaçao dat op grond van een andere wettelijke regeling dan deze landsverordening is belast met taken die de toepassing of mede de toepassing van bepalingen omtrent concurrentie of economische ordening betreffen, voor zover die gegevens of inlichtingen van betekenis zijn of kunnen zijn voor de uitoefening van de genoemde taken van dat bestuursorgaan, mits:

1. geheimhouding van de gegevens of inlichtingen in voldoende mate gewaarborgd is, en;

2. voldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

Hoofdstuk 10 – overige bepalingen

Artikel 10.1

  1. Een ieder verstrekt de FTAC desgevraagd de gegevens en inlichtingen en verschaft de FTAC desgevraagd inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van de taken die hem bij of krachtens deze of andere landsverordeningen zijn opgedragen.
  2. De FTAC kan een termijn stellen waarbinnen de in het eerste lid bedoelde gegevens, inlichtingen of bescheiden worden verstrekt.
  3. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
  4. De FTAC draagt er zorg voor dat de wijze waarop hij uitvoering geeft aan het eerste lid zodanig is dat de daaruit voortvloeiende lasten voor diegene die de in dat lid bedoelde gegevens, inlichtingen of bescheiden dient te verstrekken zo laag mogelijk zijn.

Artikel 10.2

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze landsverordening en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze landsverordening de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 10.3

De minister zendt binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze landsverordening en vervolgens telkens na vijf jaren aan de Staten en de Regering een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze landsverordening.

Hoofdstuk 11 – slotbepalingen

Artikel 11.1

In afwijking van artikel 2.13, tweede lid, worden bij de inwerkingtreding van dat artikel bij landsbesluit de arbeidsvoorwaarden vastgesteld. Dit landsbesluit blijft van kracht tot het moment dat de FTAC een eigen reglement als bedoeld in artikel 2.13, tweede lid, heeft vastgesteld.

Artikel 11.2

In afwijking van artikel 2.4, eerste lid, bestaat bij de eerste benoeming van de voorzitter en de overige leden van de FTAC de benoemingscommissie uit:

a. een deskundige van een extern adviesbureau op het gebied van werving en selectie;

b. de President van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; en

c. de implementatiemanager.

Artikel 11.3

Het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, waarvoor een aanvraag om een ontheffing als bedoeld, in artikel 3.5 binnen een maand na de inwerkingtreding van artikel 3.1 is ingediend, tot op die aanvraag is beslist.

Artikel 11.5

Artikel 4 van de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren wordt gewijzigd als volgt: Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel n door een punt komma wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende: het personeel van het bureau van de Fair Trade Authority van Curaçao.

Artikel 11.6

  1. Deze landsverordening treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip.
  2. In afwijking van het eerste lid, treden de hoofdstukken 1 en 2 in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.

Artikel 11.7

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening inzake concurrentie.

 

Gegeven te Willemstad, 29ste maart 2016

L.A. GEORGE-WOUT

 

De Minister van Economische Ontwikkeling,

E.P. RHUGGENAATH

 

Uitgegeven de 31ste maart 2016

De Minister van Algemene Zaken,

B.D. WHITEMAN